Van Verre Weiden


De mensen zullen nog heel lang spreken over de brand bij de Vries. Vaak gaan jaren voorbij, zonder dat de alarmklok luidt en de spuit gasten opgeroepen worden. Daarom blijft een hevige brand meestal lang in de herinnering bewaard. ,,’t Was in de winter, toen het kaaspakhuis van Stuyt afbrandde,” zeggen de mensen en weten dan precies, in welk jaar dat gebeurde. En zo zullen ze ook nog jaren spreken over de brand bij Geerts vader.
De brandspuit van Purmerend schijnt vaak slechts te bestaan voor het plezier van de kinderen. Er is geen groter pret, geen heerlijker feest dan ,,spuit-proberen”, dat eens in het half jaar plaats vindt. Dan rukt de brandweer uit met al het personeel en het materiaal, terwijl toch niemand behoeft te vrezen voor vernielende vlammen en instortende muren. De waterstralen stuiven knallend door de lucht en storten neer in de stille hoek van een groot plein. Onder die boog van water rennen de kinderen heen en weer, angstig juichend, omdat de straal plotseling van richting kan veranderen en hen drijf nat kan spuiten. Zie je, want iedere moeder verbiedt streng en dreigend: ,,Denk er om, dat je kleren droog blijven! Anders ga je zonder eten naar bed!”
Siems vader is ook bij de spuit. Een paar waterlaarzen en een rode pet vormen zijn uitrusting. Na elke brand of oefening zegt Vader : ,,Nou moet je die laarzen en die pet es zó opbergen, vrouw, dat ze dadelijk te vinden zijn.” Dan knikt Moeder, en zet ze Vaders brand weeruniform in een van de kasten. Niemand denkt daarna nog aan de laarzen en de pet, Vader wel het allerminst. Op een regenachtige dag spelen Siem en Alie verkledertje en takelen ze zich toe met alle bonten lappen, die in huis te vinden zijn. Of Jan trekt de laarzen aan, wanneer hij met vrienden kievitseieren gaat zoeken, Of…. Nu ja, er is altijd wel een reden voor de onvindbaarheid van Vaders brandweeruniform. ,,In ieder geval is die rommel in huis,” zegt Moe der berustend, wanneer Vader te keer gaat. ,,Zoek maar goed! Zo groot is deze woning niet !”
,,Help dan toch es mee!” raast Vader. Want dat eeuwige zoek raken van de laarzen en de pet, kan hij niet verdragen. Zonder uni form wil hij ook niet weggaan. ,,De mensen zouden me uitlachen,” moppert hij.






Er is nóg iets grappigs aan die Purmerendser brandweer. Een deel van het water wordt door handpompen in de slangen geperst. Wanneer je de pompjes ziet, verwacht je eerder, dat ze in een museum. thuishoren. Natuurlijk is er ook een stoomspuit en zal na de grote brand bij de Vries zelfs een prachtige auto worden aangeschaft. Dan verdwijnen de handpompen ook langzamerhand. Maar nu bui gen en strekken zich steeds een aantal spuitgasten bij het op en neer bewegen van de pompslingers.
En hoe is nu die brand in de winkel van Geerts vader uitgebroken? Och, de enige, die het onmiddellijk begreep, is Geert geweest. Hij heeft het telkens weer uitgesnikt in moeder Groot’s huiskamer : ,,Die ellendige koffiebranderij ook! Die ellendige machine !” Moeder Groot begrijpt het niet zo gauw. Ze heeft Geert dadelijk met zich meegenomen, toen de brand ontdekt werd. Nu zit de jongen aan tafel te huiveren. ,,Dat zijn zenuwen,” troost Moeder, ,,want koud kun je ’t niet hebben. Sliep je vast, Geert, toen ’t gebeurde ? En wat bedoel je met die koffiebranderij? Je Vader brandt toch geen koffie in de nacht!” ,,De vonken !” mompelt Geert ,,Vader heeft gisteren nog die machine gebruikt, en ik heb niet gekeken, of de vonken wel geblust waren. Voor één keer heeft hij vergeten, waartoe zijn angst hem na iedere branderij dreef. ’t Lijkt wel een straf voor zijn zorgeloosheid. Maar hij móést toch niet op die vonken letten! Vader heeft ’t hem nooit opgedragen! Vader dacht nooit aan die vonken! En Va der is zelf toch zo precies ! ,,Die ellendige machine ook! Ik ben altijd zo bang geweest….”



Siem weet niet, wat in deze nacht vlak bij zijn huis voorvalt. Jan is voorzichtig uit de bedstee gestapt, toen hij wakker werd door Vaders woedend geroep om z’n laarzen en rode pet. ,,Och, d’r is dus brand,” heeft hij glimlachend tot zichzelf gezegd. De glimlach was er maar even. Toen hij dacht aan de schade en het verdriet door zo’n brand, werd Jans gezicht dadelijk weer ernstig.
,,Heb je Siem laten slapen?” vraagt Moeder snel. ,,Dat is goed, jongen. De winkel van de Vries staat in brand. heb Geert mee genomen naar hier. Vlug, ga jij kijken, of je helpen kunt.” Tegen Evert, die even later in de huiskamer komt, zegt ze hetzelfde. Vreselijk laait het vuur in de overvolle kruidenierszaak. Voor de gulzige vlammen is daar immers heerlijk voedsel te vinden. Wat deert een enkele waterstraal, als een groot petroleumvat knallend openspringt, en de brandende vloeistof zich door de winkel ver spreidt? De spuitgasten kunnen hoogstens de daken van omliggende woningen nathouden, zodat overspringende vonken dadelijk uit doven. Het oude huis van de Vries, waarin al bijna honderdvijftig jaar een kruidenierswinkel gevestigd was, brandt uit, tot de muren instorten, en een rokende puinhoop overblijft. En zelfs dan laait nog telkens het vuur op tussen brokken geblakerde steen.

 

Ja, over deze brand zal men nog lang spreken. Twee spuitgasten worden gewond door stukken brandend hout, en de dappere Barend Cruyff, die hoog op de brandladder het water in de vuurzee jaagt, moet zich laten aflossen, omdat de helse gloed zijn ogen verblind heeft. Onder de toeschouwers klinkt een zacht gejuich wanneer de burgemeester rustig aanwijzingen geeft met zijn wandelstok, zonder de wankelende muren te vrezen of de verzengende warmte van het vuur. Tenslotte laat hij zich raden door een brandmeester, en gaat wat achteruit. Kijk, en een paar minuten later stort een muur in! Het puin rolt tot voor zijn voeten !
,,Hoe is de brand ontstaan ?” vraagt men telkens. Geonweerd heeft het niet, al is deze zomernacht warm en drukkend, en de winterse oorzaken schoorsteenbrand, vonken uit de kachel, zelfs een om getuimelde Kerstboom, ja, want zo ontstond eens een grote brand! gelden nu ook niet. ,,Maar waar is die brand dan toch begonnen?”
De Vries weet het niet. Met zijn vrouw staat hij heel die nacht voor zijn winkel en ziet, hoe de vlammen er huishouden. Niets heeft hij gered dan wat kleren en enkele papieren, die naast zijn bed lagen. Wanneer zijn vrouw niet urenlang had wakker gelegen door de doffe, kloppende hoofdpijn, waaraan ze al zoveel jaren lijdt, zou stellig niemand van het kleine gezin gered zijn. Zijn leven, wat kleren en enkele papieren, dat is nu het bezit van de Vries! Hij heeft ook nog een vrouw en een zoon, maar die zijn opeens een dubbele zorg geworden.
Toch glimlacht de kruidenier. De omstanders zien die glimlach en stoten elkaar aan. ,,Let eens op de Vries ! Hij lacht warempel ! En dat is nou een man, die anders steeds in zorg zat over z’n zaak !” Ook juffrouw de Vries wordt angstig, als ze de glimlach opmerkt. ,,Man,” fluistert ze troostend, ,,trek ’t je niet zo aan ! We zullen op nieuw beginnen en dubbel hard werken.” Ze heeft verwacht, dat haar man zou schreeuwen en huilen, dat hij het brandende huis zou willen binnendringen. Dat alles zou ze dan wel begrepen hebben. Maar deze glimlach maakt haar bang.
,,Heb je enig idee, hoe de brand is ontstaan, de Vries ?” vraagt de ,,Nee burgemeester, ik weet ’t niet,” antwoordt de Vries rustig, zoals hij dat ook al tegen den brandmeester en den inspecteur van politie gezegd heeft. ,,Ik weet ’t werkelijk niet,” herhaalt hij nog eens, omdat de burgemeester hem zo verbaasd aankijkt. ,,Je neem de slag nogal gemoedelijk op !” Ja, zo zijn de mensen! Ze verwachten, dat je lacht om het geluk en huilt om het verdriet, dat je vrolijk bent, wanneer het leven je voorspoed brengt, en treurig, omdat het je tegenwerkt. Maar wanneer je glimlacht, terwijl het vuur je winkel vernielt, zie je, dan begrijpen ze je niet. Daarom keert de burgemeester zich met een ruk om, en wandelt beledigd weg.
En toch blijft de Vries glimlachen. Want met zijn winkel verbrandt ook al zijn zorg, verdwijnen ook zijn eeuwig gereken, zijn angst voor een verminderde omzet, zijn gezoek naar een nieuwe pakkende reclame, die de klanten tot kopen moet prikkelen. O, de Vries heeft voorspoed gekend in zijn winkel, maar gelukkig is hij er niet door geworden. Eigenlijk was ‘t, alsof hij een molensteen om zijn hals droeg, die zijn hoofd omlaag drukte. Daarom zag hij nooit, hoe mooi en wijd Gods wereld was. Alleen de donkere bodem vlak voor zijn voeten kon hij zien. Voor het eerst sinds jaren voelt de krui denier zich vrij. Of hij zorgt en rekent, of hij bang is voor achter uitgang, en daarom angstig naar nieuwe reclameaanbiedingen zoekt, och, dat alles geeft nu immers niet meer. Morgen bij daglicht zal hij wel zien, hoe hij voortaan voor zijn gezin moet zorgen. Misschien is hij nog niet arm. Hij was steeds een zuinig man, en de winkel is ook nog verzekerd. Nee, morgen bij daglicht zal de Vries wel verder zien. Natuurlijk nodigt juffrouw Groot de ouders van Siems besten vriend in haar huis. ,,Beschouw ’t maar als jullie nieuwe woning” zegt ze hartelijk. ,,We schikken ’t wel met de slaapplaatsen. Nou, en het eten komt vanzelf in orde. Ik neem van alles twee maal zoveel Juffrouw de Vries huilt zachtjes. Ze denkt telkens nog aan het vreselijke, dat gebeurd zou zijn, wanneer ook zij had geslapen. En dan maakt ze zich ongerust over de kalmte van haar man. Hij zit rustig aan tafel en praat over de brand, alsof die niet zijn huis vernielde. Als het verdriet hem maar geen schok geeft, als hij maar niet…. ,,Wat moeten we toch beginnen ?” snikt ze.
Dan gebeurt er iets zo wonderlijk, zo heerlijk ook, dat ze al haar zorg vergeet en ophoudt met snikken. Want haar man legt troostend een arm om haar smalle schouders en zegt met een heel andere stem dan gewoonlijk: ,,Nou moet je niet meer huilen, Marie. We zijn alle drie gespaard, en dat is het belangrijkste. De rest komt vanzelf in orde. Ik laat een noodwinkel van hout timmeren tot ons huis weer is opgebouwd. Een prachtige nieuwe zaak moet dat worden. Misschien moeten we erg zuinig leven om alles te betalen. Maar wat hindert dat? Nou krijgt Geert later niet een oud winkeltje maar een modern bedrijf !” ,,Hoera!” juicht Siem met zijn schelle jongensstem. Ja, hij moet zijn vreugde uiten, omdat het vreselijk ongeluk zo goed is afgelopen. Denk je eens in, dat hij niets gezien of gehoord heeft van de brand! Zo iets geweldigs gebeurt vlak bij zijn huis, en hem laten ze slapen! Daarom juicht hij zo hard mogelijk om tenminste te tonen, dat hij
nú wakker is. ,,En de koffiebranderij komt niet meer in een houten schuur ! Dat roept Geert natuurlijk. Geen ogenblik zijn de vonken van de koffie machine uit zijn gedachten geweest. ,,Dan is er ook geen kans meer op brand!”
Ineens worden de anderen oplettend. Want naar de oorzaak van de brand hebben ze al steeds gezocht. Weet Geert daar meer van ? ,,Wat bedoel je, jongen?” vraagt de Vries gespannen. ,,Waarom heeft de koffiemachine schuld aan de brand ?”
Geert krijgt een erge kleur, omdat de aandacht zo plotseling op hem valt. Zenuwachtig verklapt hij zijn angst voor de weg spattende vonken. ,,U zag ze nooit, Vader. Daarom ging ik altijd kijken, als u weg was uit de schuur. En juist gistermiddag heb ik ’t vergeten.” ,,Maar waarom zei je nooit wat over die vonken?” De Vries kijkt zijn zoon verslagen aan. ,,Ik heb nooit gedacht, dat die zouden blijven smeulen.” Geert aarzelt even, voor hij antwoord geeft. ,,Och, ziet u” – hij slaat zijn ogen neer, alsof hij zich schaamt ,ziet u…. u was vaak zo ongeduldig. …. Ik…. eh …. hoe kan hij nu verraden, dat hij  vaak bang was voor zijn vader? ’t Ging niet… Ik vond ’t ….. nou ja….” eindigt hij onhandig, en peutert aan zijn brood. Zijn moeder helpt hem.  En het verhaal gaat natuurlijk verder in het boekje Van Verre Weiden.

Plaats een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.